Home » Reportage
Indiase dans

‘Als Indiase danseres word je nooit Beyoncé’

Tekst Astrid van Leeuwen

Dit artikel is eerder verschenen in Dans Magazine nr. 4 2018. 

In haar geboorteland India heeft ze de status van een ster. Tienduizenden volgen de danseres, choreografe én actrice op Instagram. Haar foto met Jiří Kylián, begin mei geschoten in Den Haag, had binnen luttele minuten duizenden likes. Maar in de prachtige Kerkstudio in Korzo, een dag na de ontmoeting met Kylián, is van dat alles niets te merken. Rustig, bescheiden en bloedserieus volgt Rukmini Vijayakumar de aanwijzingen op die Leo Spreksel, artistiek leider van het India Dans Festival, haar geeft. Het is de eerste week van haar residentie en door improvisatieopdrachten tasten de twee de mogelijkheden voor haar nieuwe choreografie af. In het midden van de studio staat een groot zwart blok: een voetstuk voor de vrouw, bedoeld om haar zichtbaar te maken, maar tegelijkertijd ook een beperking, een figuurlijke gevangenis, waarin, zeker in India, nog zoveel vrouwen dagelijks leven. Spreksel vraagt haar om ‘air’ in haar bewegingen te blazen, en vervolgens meer flow aan te brengen tussen de verschillende poses die ze inneemt. Rukmini zuigt alle input gretig op.

Even later, in de ‘leefkeuken’ van Korzo, volgt de eerste lach: ‘Ik weet nu even niet wie de choreograaf is, hij of ik.’ Maar ze ziet wel hoe dit verder gaat, zegt ze kalm. ‘Leo heeft heel uitgesproken ideeën over structuur en vorm en ik ga daarin mee. Ik stel mij open, zonder verwachtingen; verwachtingen leveren immers zelden iets goeds op. Ik leer van alle gesprekken die ik hier voer, alle dansers en choreografen die ik aan het werk zie. Ik ben aan het leren begrijpen wanneer dans het stempel eigentijds verdient en wat dat dan bepaalt. En ik stel mijzelf steeds de vraag: zou ik binnen die eigentijdse dans een eigen stem kunnen vinden, en zo ja, zou die stem sterk genoeg zijn, zou ik er tevreden over zijn?’ 

Liefde voor Kylián en Korzo

De reden dat ze zich als kandidaat voor de internationale residentie bij Korzo aanmeldde, is simpel, zegt ze. ‘Ik ben al jarenlang een enorme fan van Jiří Kylián, I absolutely adore him! Normaal ben ik totaal niet starstruck hoor, beroemde acteurs, popsterren, ik geef er niets om. Bovendien: wanneer je een bekend iemand ontmoet, is die persoon als mens vaak mijlenver verwijderd van het werk dat hij of zij maakt, wat zo’n ontmoeting dus heel teleurstellend maakt. Maar met Jiří was dat absoluut niet het geval. Hij is zó open, zó kalm, zó vriendelijk, zó één met zijn werk, en wat ik vooral zo bijzonder vind aan de prachtige kunst die hij creëert: hij maakt eigentijdse dans, maar mét behoud van de integriteit van het klassieke ballet. Precies dat wil ik graag met bharatanatyam doen.’

Haar bewondering voor Kylián is echter niet de enige rijden waarom ze zo blij is dat de keus van het bestuur van de Kylián Foundation op haar is gevallen. ‘In 2016 trad ik voor het eerst op in Korzo en ik werd direct gegrepen door deze plek. Een dergelijke ontmoetingsplaats, een productiehuis als dit, ik dacht meteen: hadden we dát maar in India. De meeste dansstudio’s in India worden door individuele artiesten gebruikt en gerund. Er is nu wel een trend aan het ontstaan om kunstcentra te openen, maar deze krijgen nul support van overheden of andere instanties. Dat maakt het zo bijzonder om hier te zijn: ik zíe de vele mogelijkheden, ik zíe het verschil dat een plek als deze kan maken.’ ‘Nerdy’ architecte Voor haar verdere ontwikkeling is het, zegt Rukmini, essentieel om ook buiten India ervaringen op te doen. ‘Er is inmiddels wel een moderne danssector in India, maar om mijzelf te voeden, moet ik blootgesteld worden aan plaatsen waar de moderne dans veel meer ‘gegrond’ is, een veel langere traditie kent.’

Toch is ze wat dat betreft beslist geen groentje. Tussen haar vijfde en zevende woonde ze in de Verenigde Staten en kreeg daar zowel haar eerste balletlessen als eerste lessen in de klassieke Zuid-Indiase bharatanatyam-stijl. ‘Mijn moeder danste ook, niet professioneel, maar ze trad wel op in tempels en tijdens feestdagen. Ik heb haar echt moeten smeken om mij mee te nemen naar haar lessen. Op mijn achtste – terug in India – trad ik voor het eerst op, tijdens haar afscheidsvoorstelling. Maar destijds waren het nog enkel complexe passen, mijn dans had nog geen enkele expressie. Ik had ook geen benul van het feit dat dans ook een beroep kan zijn. Ik dacht altijd dat ik wetenschapper zou worden, of architect. Ik was heel ‘nerdy’ en dolblij toen ik op mijn zeventiende op Carnegie Mellon University in Pittsburgh (een topuniversiteit voor bètastudies – red.) was aangenomen. Maar mijn ouders lieten me niet gaan. Ze vonden me te jong. Achteraf denk ik dat ze toen al doorhadden dat mijn toekomst elders lag. Vanaf dat moment heb ik twee jaar lang alleen maar gedanst en daarna heb ik auditie gedaan voor de dansopleiding van het Boston Conservatory. Qua ballet had ik een enorme achterstand en sowieso ontdekte ik al gauw dat moderne dans veel beter bij mijn lichaam past, vooral de Taylor- en Hortonlessen (gebaseerd op de techniek van Paul Taylor c.q. Lester Horton – red.) vond ik heerlijk. Ik heb in Boston zó veel over mijn lichaam geleerd, en dat was nodig: ik kon – vond ik – geen danser worden zonder eerst andere dingen, andere dansvormen te ervaren. Ik moest afstand van de bharatanatyam nemen om er daarna weer bij terug te komen. Als ik me tot bharatanatyam had beperkt, was ik uiteindelijk waarschijnlijk toch op die architectenopleiding beland.’

Indiase dans

Gezond verstand

Nog steeds volgt ze ballet- en moderne-danslessen, maar, zegt ze: ‘Bharatanatyam is mijn sterkste stem, de taal waarin ik denk, de dansvorm waar ik me het meest mee verbonden voel. In bharatanatyam hoef ik niets te pretenderen, geen rol te spelen, ik kan er mijzelf in zijn. Ik houd van de strakke lijnen van de bharatanatyam, het is de enige Indiase dansstijl die dat zo sterk heeft, maar ik gebruik ook elementen uit de karana, een oude bewegingstaal die aan de basis van veel Indiase dansen ligt en die veel meer ronde vormen kent. De combinatie is voor mij ideaal, de manier waarop beiden in mijn lichaam samenkomen is uniek. Er zijn ook wel andere dansers die deze stijlen combineren, maar toch op een andere manier.’

Het zijn, zegt ze, vooral de generaties vóór haar die deze en ander Indiase dansstijlen hebben doen herleven en dus gered hebben. ‘Met de Engelse overheersing kwam de Indiase dans in een kwaad daglicht te staan. Waar deze voorheen een heilig, goddelijk aanzien had – onlosmakelijk verbonden met de Hindoetempels – werd deze gaandeweg gezien als iets voor prostitueés. Wat ik nu doe, had mijn grootmoeder nóóit kunnen doen, voor de generatie van mijn moeder was het al iets beter en mijn generatie heeft op dat punt eigenlijk geen probleem meer. Ik voel daarom niet zozeer een verantwoordelijkheid om het bharatanatyam-erfgoed te behouden, als wel om de dansvorm toegankelijk te maken voor een groter, eigentijds publiek. Qua techniek probeer ik altijd heel helder en authentiek te zijn, maar daarbuiten laat ik wel nieuwe invloeden toe. Zo dans ik bijvoorbeeld niet altijd compleet frontaal, gebruik ik theatrale elementen, meer karakteropbouw en zie ik af van de vele, traditionele herhalingen. Bharatanatyam in zijn oorspronkelijke vorm is heel erg gecodificeerd, vooral in de gebaren, als je daaraan blijft vasthouden, begrijpt bijna niemand wat je doet. Ik houd mij wel aan de fysieke structuur, maar ik verander dingen om meer emotionele continuïteit in de dans te brengen. Ik kan ook niet anders, want ik wil nu eenmaal dans maken waarin ik geloof. En ja, dat leidt in India wel tot kritiek, maar de kritiek van mensen met oogkleppen op zegt mij niet zo veel. Zelf zie ik wat ik doe niet als iets nieuws, maar simpelweg als gezond verstand. De essentie van alles wat je doet is ‘rasa’ (Sanskriet voor nectar of sap – red.), zonder rasa heeft het allemaal geen zin. Wat ik laat zien is niet iets voor de massa – als Indiase danseres word je nooit Beyoncé – maar ik heb nu wel een groot, jong publiek, onder wie ook veel mensen die voorheen nooit naar dans gingen.’

Inspiratie dicht bij huis

In haar choreografieën verwerkt Rukmini elementen uit traditionele Indiase verhalen. ‘Ik blijf altijd trouw aan de personages uit die verhalen, aan hun karakters en kwaliteiten. Vaak zijn die personages goden, dus die móet je wel met respect behandelen.’ Die eerbied in acht nemend, creëert ze echter wel haar eigen verhalen. ‘Een van de opties waar ik met Leo over gesproken heb, is de mogelijkheid om onze nieuwe creatie te baseren op een liedrijm over Shiva die zijn geliefde afwijst. In mijn choreografie betrek ik dat op een net getrouwd koppel, terwijl daar in het gedicht niets over staat. Maar ik ga’, zegt ze lachend, ‘ook regelmatig op een luchtigere manier met het onderwerp liefde om. Zo heb ik bijvoorbeeld een komisch stuk gemaakt over mijn ouders, op een moment dat mijn vader te veel tv keek en niet meer naar mijn moeder luisterde.’ In het India Dans Festival zal ze haar nieuwe, eigentijdse creatie combineren met een eveneens nieuwe klassieke choreografie, gebaseerd op een verhaal over Krishna en de vrouw die hem heeft opgevoed, Yashoda. ‘Op een dag komt uit dat Krishna niet haar zoon is, maar een kind van koninklijken bloede, wat betekent dat zij hem moet laten gaan. Maar hoe vreselijk dat ook voor haar is: ze doet precies al het goede, in plaats van haar eigen verdriet te tonen, troost zij iedereen.’ Het was haar broer die haar inspireerde tot dit stuk, vertelt Rukmini. ‘Hij is een fantastische vader voor mijn neefje en nichtje. Ik weet zeker dat ook hij, in alle omstandigheden, altijd het goede zal doen.’ De choreografie heeft nog geen naam. De suggestie om het stuk naar haar broer te noemen, wijst ze lachend af. ‘Mijn broer draagt de naam van een andere god. In India zou het héél gek gevonden worden als ik die naam zou gebruiken voor een verhaal over Krishna en Yashoda.’

 


Heb jij een passie voor dans? Lees dan Dans Magazine! Neem een abonnement. 

Of schrijf je in voor de nieuwsbrief voor het laatste dansnieuws, spannende reportages en de mooiste interviews.


 

Bollywood

Begin oktober, voorafgaand aan haar optreden in het India Dans Festival, vindt de tweede week van haar residentie plaats. Ze vindt het onvoorstelbaar: in basicly een paar weken een choreografie maken. ‘Dit is zó anders dan hoe ik normaal werk. Ik neem normaal uitgebreid de tijd om de inhoud van een choreografie te bepalen en de juiste emotionele diepgang te creëren, vaak meer dan een jaar. Nu maak ik een stuk dat vooral gericht is op vorm en structuur, waarbij thema’s als geaardheid, adem en de verschillende elementen – aarde, lucht, water, vuur – aan bod komen.’ Lachend: ‘Ik ben vooral zelf héél benieuwd naar de uitkomst.’ In de tussentijd is ze druk met haar eigen dansschool en eigen dansgezelschap in haar geboortestad Bangalore en met haar solo-optredens overal ter wereld (haar tweede residentieweek moet ze zelfs even onderbreken voor een optreden in Qatar). Voor haar andere passie, acteren, heeft ze momenteel nauwelijks nog tijd. Tot nu toe speelde ze in diverse Tamil-, Hindien Kannada-films, naast Bollywood-supersterren als Rajnikanth en Amitabh Bachchan. ‘Ik zou dolgraag vaker acteren, want ik vind het heerlijk, maar jammer genoeg heb ik geen twee lichamen. Films maken kost extreem veel tijd, tijd die ik niet op mijn ‘danstijd’ wil inleveren.’ Toch hoopt ze ergens wel dat er nieuwe rollen volgen en daarom wil ze, hoe ‘piep’ ook, liever niet haar leeftijd in dit interview vermeld zien. ‘In Bollywood is jong nooit jong genoeg.’

Meer inspiratie