De tango ontstond aan het eind van de negentiende eeuw in de buitenwijken van Buenos Aires. Daar leefden veel immigranten die Europa waren ontvlucht in de hoop in Argentinië een beter bestaan te vinden. De muziek die ontstond was een mix van de Cubaanse habanera, de door Afrikaanse slaven geïntroduceerde candombé en de muziek van de gaucho’s (Argentijnse cowboys). Ook Spaanse en Italiaanse invloeden speelden een grote rol. Door het verlangen van de immigranten-kinderen naar dat verre onbekende vaderland, kreeg de tangomuziek na verloop van tijd een weemoedig karakter.
In eerste instantie werd de muziek gespeeld met gitaar, viool en fluit. Pas later deed de uit Duitsland afkomstige bandoneon zijn intrede. Nu is dit instrument het meest typerend voor tangomuziek.